Dat wat nog niet gezien wordt

24 November 2020

Geven, geven en nog meer geven. Het begint pijn te doen in haar lichaam. Het zit vast en de tranen zitten zo hoog dat ze zichzelf gisteravond in slaap heeft gehuild. Haar relatie heeft ze voor kort beëindigd en ze zet enorme stappen in haar ontwikkeling. Toch blijft ze tegen dingen aanlopen en voelt ze onrust. Groeipijn, noem ik het. Het verlangen ligt er om meer van zichzelf te gaan houden. Zo komt ze bij mij voor een opstelling.

Het veelvuldig ‘geven’ is een bekend fenomeen voor haar. We stellen het op en ze pakt haar overbeladen rugtas. Het symboliseert wat ze als last op haar rug ervaart, alsmaar dat geven. De rugtas komt naast het kleine takje te liggen, hetgeen mag staan voor ‘ontvangen’. Het kost haar weinig tijd en moeite om het stokje in haar tas te stoppen. ‘Ik mag meer gaan ontvangen, zo is het meer in balans’. Ook haar moeder en overgrootmoeder worden uitgenodigd in de opstelling. Ze begint stiekem te lachen. Wetende dat ze haar behoefte aan ‘geven’ voorgedragen heeft gekregen van haar moeder en diens oma. Het zit als een overtuiging in haar moederlijn; de ander heeft meer nodig dan zij zelf.

Het is haar echter nog niet helemaal duidelijk wáár die overtuiging vandaan komt, waardoor we een nieuwe vorm geven aan de opstelling. De tas mag opnieuw staan voor het ‘geven’ én ze zoekt iets uit wat mag staan voor ‘datgene wat nog niet gezien wordt’. Wat is het waar ze nog geen zicht op heeft? Dat het ook daadwerkelijk niet gezien kan worden, blijkt als ze iets kleins, ietwat lijkend op een schilletje van een noot, ónder de rugtas legt. Het wordt bedolven onder het ‘geven’. Ze kijkt er op een afstandje naar en komt ook nu al weer snel in beweging. Met een snel vaart rukt ze de rugtas eraf en komt het ‘schilletje’ in het licht. Ze gaat voor de rugtas staan, met het schilletje tussen haar voeten. Ze schermt het af van de frisse bries die vandaag waait. Desondanks begint het schilletje in het zand een kwartslag te draaien en te wiebelen. ‘Het is ietwat onwennig om op deze plek te staan, maar ik kan wel loskomen van de rugtas achter mij’, zegt ze. Ze merkt de prille zonnestralen op die haar gezicht verwarmen.

Toch voelt ze zich ook koud. Ze lijkt er nog niet helemaal ontspannen te staan. Ze neemt met haar ogen gesloten alle tijd om deze plek tot zich te nemen. De kou blijft. Terwijl ze stevig op haar plek blijft staan nodig ik haar uit tot een visuele meditatie. Met haar hand op het hart, vraag ik haar een deurtje aan de achterkant van haar hart te visualiseren. De deur mag naar haar eigen behoefte open staan. Terwijl zij dit visualiseert sta ik achter haar en mag zij van mij ontvangen. Haar hart mag helemaal opgevuld worden. Ze merkt nadien op dat ze geen moeite had om de deur aan de voorkant van het hart dicht te houden. Ze mocht even helemaal zelf opladen, zonder alles gelijk weg te geven.

‘Waar staat deze plek voor?’, vraag ik aan haar. ‘Het is mijn leven en mijn doelen’, beantwoord ze met haar ogen nog steeds stevig dicht. ‘Durf je te kijken naar jouw leven?’, vraag ik. ‘Jawel’, hoor ik haar zonder enige twijfel zeggen. En nog steeds zitten haar ogen potdicht. ‘Kijk dan maar’, zeg ik uitnodigend. Het licht valt naar binnen bij het openen van de ogen, waarop de tranen volgen. Ze is onder haar rugtas van geven vandaan gekomen, daar was niet veel voor nodig. Zien waar het bij haar om mag gaan, haar leven en haar doelen, dát is veel spannender. Als de tranen zijn weggeveegd, komt de zucht. De zucht van verlichting. Haar lichaam ontspant en haar glimlach laat zich zien. ‘Je bent een mooi mens’, zegt ze tegen mij. Daar is weer de geefstand. Één seconde later geeft ze de liefde aan zichzelf; ‘IK BEN EEN MOOI MENS!’.

×

Stel hier je vraag

× Stel hier je vraag